Onderzoek Suwâld

Opgraving Suwâld (Suawoude), Fryslân

Werkgroep Archeologie Streekmuseum (WAS ´94)
door Klaas R. Henstra en Kees v.d. Werf

Suwâld.

Al in 1996 werden wij door Piet van der Meulen uit Burgum geattendeerd op een terrein ten westen van Suwâld. Van der Meulen vond hier grote hoeveelheden middeleeuws bolpotaardewerk. Enige inspectie vond nog in genoemd jaar plaats. Aangezien dit al in de late herfst was, werd besloten het onderzoek in 1997 voort te zetten. Er werd contact opgenomen met de grondeigenaar, die zich accoord verklaarde met graafwerk. Vervolgens kon ook de provinciaal archeoloog dr. Jurjen Bos instemmen met ons onderzoeksvoorstel. Kort daarop werd booronderzoek verricht door de Stichting RAAP (Regionaal Archeologisch Archiverings Project). RAAP stelde vast dat een deel van de ondergrond reeds zwaar aangetast was. Archief- en met name kaartonderzoek wees in de richting van een veenterp; mogelijk een van de vroegste ontginningen in onze gemeente (10e eeuw). Voorlopig heeft het onderzoek dertien zaterdagen omvat. De vondsten betreffen onder meer aardewerk (± 250 verschillende potten in gefragmenteerde staat), weefgewichten, meer dan twintig delen van maalstenen, botmateriaal en een stukje barnsteen. Dit laatste materiaal wordt ook in de Friese terpen af en toe aangetroffen. In het najaar wordt het onderzoek voortgezet met behulp van een kraan van de firma HAM/VOW. Een geste waarvoor wij de firma zeer erkentelijk zijn. Voorlopig kan worden worden geconcludeerd, dat we te maken hebben met een 11e/12e eeuwse veenterp. Deze conclusie is vooral geënt op het voorkomen van Pingsdorfaardewerk. (Zie ook veenterp Tytsjerk).

Tytsjerk.

Door een van de leden van de werkgroep (Luuk Wiersma) werd in juni 1997 een restant van een veenterp ten noordoosten van Tytsjerk ontdekt. Het geheel was reeds verploegd. Wij vonden nog veel bolpotaardewerk, een spinklosje en z.g. Proto-Steengoed aardewerk, daterend uit de 13e eeuw. Nader onderzoek zal mogelijk verschillen kunnen aantonen tussen het bolpotaardewerk van Suwâld en Tytsjerk. Dit is te meer interessant, daar hiervan weinig schriftelijke gegevens bekend zijn.
(Mondelinge mededeling dr. Gilles de Langen, RAAP). 19981043/intersu

Suwâld, 25 t/m 29 november 1997

Al deze dagen waren enkele leden aanwezig op het terrein van de veenterp. Met een kraan werd steeds een deel van de bouwvoor verwijderd. Daarna was er gelegenheid voor enig onderzoek. Met de z.g. prikker werd op meerdere plaatsen bolpotmateriaal ontdekt. Dit bevond zich voornamelijk onder een kleibandje van ongeveer 1 cm dikte. We mogen derhalve aannemen dat ergens in de late 12e of de vroege 13e eeuw het gebied door de zee is overspoeld. Ruim een meter lager bevond zich een tweede kleiband. Deze wordt voorlopig gedateerd op de Romeins/Inheemse Tijd. Tijdens een van transgressiefasen in die periode was het gebied dus al eens eerder overstroomd. Gezien de bewoning op de Alde Miede – 1e en 2e eeuw – mogen we deze kleiband dateren in de vroege 3e eeuw. In dit verband wijzen wij op grote overeenkomsten met de voorlopige resultaten van het onderzoek in Hempens/Teerns, enkele kilometers westelijker (de Langen, 1998). Opmerkelijk bij het onderzoek in de veenterp van Suwâld is een royale hoeveelheid houten voorwerpen van zeer goede kwaliteit. Meerdere stukken waren voorzien van een gat. Ook konden duidelijke snij- of zaagsporen op het hout worden vastgesteld. De houten voorwerpen worden eerst gereinigd en vervolgens ingevroren; op deze wijze wordt het vocht aan het hout onttrokken. Na afloop van het onderzoek zullen de resultaten zeker in het museum worden tentoongesteld

Suwâld, 1 t/m 3 december 1997

Langzamerhand legt de kraan grotere stukken van de veenterp open en krijgen we wat meer inzicht in de structuur van de terp. Het hoogste deel – een soort plateau – ligt in het midden van het te ontgronden perceel. Voorts zijn in het oosten van het middelste deel twee slootjes of greppels vastgesteld. De breedte daarvan bedraagt ± 50 cm en de diepte 40 cm. De onderlinge afstand van de slootjes bedraagt circa 10 m. Het merendeel van de vondsten van deze week is gevonden in de slootjes. Het lijkt erop dat het afval van de bewoners hierin is gedumpt. De vondsten bestonden uit grote hoeveelheden bolpot, Pingsdorfwaar, botmateriaal en hout. Op een van de grotere bolpotfragmenten – een z.g. imitatie-Pingsdorfpot – bevinden zich resten van metaal; mogelijk betreft het zilver of tin (mondelinge mededeling G. Elzinga, Leeuwarden). Een woord van dank voor de bereidwilligheid tot het verlenen van assistentie van de kraanmachinist van de firma HAM/VOW, de heer Jan van der Vegt uit Drachten, is hier op zijn plaats.

Suwâld, 26 juli 1998

In de veenterp ten westen van Suwâld zijn door Piet van der Meulen nog enkele belangwekkende vondsten gedaan. Het betreft onder meer een deel van een kop van een rund met beide hoornpitten. Het gedeelte lijkt afgezaagd en de pitten bevinden zich in horizontale richting. Jan Faber vermoedt dat de hoorns afkomstig zijn van een oeros. Onmogelijk is dit niet, aangezien de literatuur vermeldt dat in 1627 in Polen de laatste Westeuropese oeros het loodje heeft gelegd. Voorts is er nog een vrijwel kompleet potje van zg. Pingsdorf aaardewerk gevonden; dit potje is aan de bovenzijde fraai versierd met diagonale verfstrepen. Het onderste deel van het voorwerp is met de hand vervaardigd, terwijl het bovenste deel op de draaischijf is nagedraaid, De datering kan derhalve op de 10e/11e eeuw worden gesteld. We zullen dit potje nog gaan vergelijken met de overige Pingsdorfvondsten. Tevens is een vrijwel kompleet aardewerken bakje gevonden met lage rand. In de bodem bevinden zich meerdere gaten. Mogelijk is dit bakje gebruikt bij de bereiding van kaas: een kaasvorm dus. Siebe Siebenga vond onder meer delen van een grote bolpot en een groot stuk van een maalsteen.

Suwâld, 25 augustus 1998

Op 24 augustus kwam er bericht dat de kraan van de fa. HAM/VOW weer op de locatie van de veenterp was gearriveerd, teneinde het laatste deel van het veen te verwijderen. Meerdere leden van de werkgroep waren ogenblikkelijk bereid in ploegendienst een deel van hun vrije tijd hiervoor in te zetten. Mogelijk levert dit laatste restant nog veel archeologische informatie. Bodemsporen blijven schaars. Deze maand zijn evenwel nog veel archeologische restanten boven water gekomen.


Omtrent bovenstaand kommetje hebben we nog wat twijfels. Het past niet in de context van het tot dusver gevonden materiaal. De afmetingen zijn: doorsnede: 14,9 cm; hoogte: 7,6 cm; wanddikte: 1,2 cm. Vroeg Middelleeuws handgemaakt aardewerk. Angelsaksisch aardewerk (450 – 600); met name de platte bodem, de polijsting en de knobbels vormen een aanwijzing. De kom is reducerend gebakken en de magering is matig grof. De herkomst is Noordwest-Duitsland, het Nederlandse kustgebied en Engeland. (Steehouwer, 1985)

Om het kommetje in verhouding tot andere vondsten te zien, klikt u verder naar beneden.

Enkele vondsten nader omschreven

1. Paffrath-bolpotje. Datering van dit vrij volledige potje: 1100-1250. De scherf is wit en gelaagd; het oppervlak bezit een duidelijke metaalglans; onder de hals bevindt zich een kleine knik en rand is hoekig. De hoogte van de pot is 12,3 cm en de diameter is 15,0 cm. Voor de werkgroep is dit een belangwekkende vondst, aangezien er eerder slechts enkele kleinere scherven van dit aardewerk werden gevonden. NB. Het potje is afkomstig uit het Rijnland; Paffrath is een plaatsje dat ca. tien km ten noordoosten van Keulen ligt.


Pingsdorf-potje. Datering: ca. 900-1200. Dit versierde potje werd al eerder gevonden (zie 26 juli j.l.). Het voorwerp is geelachtig van kleur en vrij volledig. Tot en met de buik is het potje handgevormd- de bovenzijde is nagedraaid op de draaischijf De hoogte bedraagt 8,9 cm en de diameter is 9,8 cm. NB. Ook in dit geval betreft het een import-product. Mogelijk is het afkomstig uit het Vorgebirge in Duitsland; ook Zuid-Limburg (Schinveld en Brunssum) kan niet worden uitgesloten. De datering dient niet te laat te worden gesteld, aangezien het een handgevormd exemplaar betreft.


Bolpot-kaasvorm. De wanddikte bedraagt 1,3 cm en er bevinden zich zes gaten in de bodem. De hoogte is 5,8 cm en de diameter is 11,8 cm.


Bolpot-vuurklok. Al eerder werd een vuurklokdeel gevonden. Nu betreft het een vrij volledig klokvormig model. De wanddikte bedraagt 1,2 cm. De maximale hoogte is 36,0 cm; de diameter bedraagt 32,0 cm. Er is een aanzet voor een “schoorsteentje”.


Bolpot-vuurklok. Deze vuurklok is minder klokvormig en oxyderend gebakken. De opening is grotendeels aanwezig. De maximale hoogte is 27,0 cm en de diameter bedraagt 29,0 cm. De vuurklokken werden gedetermineerd door Alexander Jager, Fries Museum. Vuurklokken werden gebruikt om open vuren ‘s nachts af te dekken. De noodzaak daartoe was zeker relevant, aangezien de boerderijen van hout en andere natuurlijke (zeer brandbare) materialen waren opgetrokken.

Hoorn van oeros? Ook dit stuk werd reeds eerder gemeld. De huidige spanwijdte bedraagt 38,0 cm en de maximale wijdte zal ooit ± 46,0 cm hebben bedragen (van beide uiteinden ontbreekt een stukje).


Pingsdorf-tuitkan. Datering 11e/12e eeuw. Hoogte 28,0 cm (maximaal 31,0 cm); diameter 27,0 cm, mondopening 9,0 cm, twee lintoren; tuit ontbreekt.

Overig botmateriaal. Om een indruk te geven van de hoeveelheid materiaal, dient u te denken aan ongeveer 6 volledig gevulde emmers. Bij het sorteren kon alvast worden geconcludeerd, dat alle lange pijpbeenderen opzettelijk waren gebroken; mogelijk werd op deze wijze het merg verzameld. Enkele botten waren bewerkt tot gereedschap; in de collectie bevinden zich een tweetal priemen. Voorts zijn enkele nagenoeg complete schedels van een koe en schaap (of geit) gevonden.

Vanzelfsprekend is het ondoenlijk op deze plaats alle voorwerpen te bespreken. Een aantal vondsten is in kleine expositie opgesteld en natuurlijk kunnen belangstellenden altijd een kijkje komen nemen in onze depot- en restauratieruimte.

Het geel gearceerde gedeelte op de kaart betreft het onderzoeksgebied nabij Suwâld.

Eind 1997 werd een kleine expositie van de voorlopige resultaten van de opgravingen in Suwâld ingericht in het Streekmuseum. Te zien was: aardewerk, waaronder grote en kleine kommen, bakpannen, bolpotten, houtresten w.o. eikenhout, botmateriaal en een barnsteentje. Op dit moment zijn de meest aansprekende voorwerpen opgenomen in de reguliere archeologie-tentoonstelling.


Literatuur en bronvermelding